Geschiedenis en ontwikkeling van de trapauto

De twee Austin J40’s die maandenlang hebben gepronkt in de galerie van DIG IT UP, zijn symbolisch voor een lange speelgoedtraditie. Historicus Dik Vuik zocht het verhaal van de bijzondere karretjes uit.

De eerste trapauto’s verschenen al vrij snel na de ontwikkeling van de eerste auto’s, eind negentiende eeuw. Deze vroege trapauto’s waren speelgoed voor de kinderen van rijken, want exemplaren waren zeker niet goedkoop. 

Een Vliegende Hollander in het Zuiderzeemuseum.
Een zeepkist was gemakkelijk en goedkoop te maken van wat plankjes en een paar wielen van een kinderwagen.

 

Een nog goedkoper alternatief was decennia lang de zeepkist: een wagentje dat letterlijk van een kistje werd gemaakt, met daaronder simpele wieltjes van bijvoorbeeld een oude kinderwagen. Waar de loopauto nog over een mechanisme beschikte waarmee de bestuurder zich vooruit kon bewegen, was de zeepkist eigenlijk alleen geschikt om vanaf een heuvel omlaag te racen.

Echte trapauto’s werden in de eerste helft van de twintigste eeuw gefabriceerd door firma’s als Whitney Reed (Verenigde Staten), Eureka (Frankrijk) en Lines Bros (Verenigd Koninkrijk). In Frankrijk werden modellen al voor de Tweede wereldoorlog aangeboden in warenhuizen als Bon Marché. Trapauto’s werden in de jaren twintig en dertig steeds luxer uitgevoerd met werkende verlichting en claxons. Ze leken soms naadloos op de echte productiemodellen.

Trapauto’s werden vanaf 1900 steeds luxer, het eenvoudige Bugatti karretje kreeg opvolgers die een perfecte replica van de echter auto werden, compleet met werkende verlichting.

Massaproductie na de Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam de productie van trapauto’s stil te liggen, aangezien staal nodig was voor de oorlogsindustrie in de betrokken landen. Na de oorlog ontstond er echter een nieuwe interesse en groeide het aantal modellen dat als trapauto beschikbaar was. Soms was er zelf sprake van massaproductie. De Britse firma Lines Bros produceerde ruim dertig verschillende modellen. Behalve auto’s werden soms ook vliegtuigen, motorfietsen of zelfs treinen gemodelleerd en voorzien van een trapmechanisme.

Productie van de Austin J40 trapauto’s in de fabriek in Bargoed (Wales).

 

De toenemende welvaart zorgde in de jaren vijftig voor een brede populariteit en steeds meer gezinnen konden zich een trapauto voor hun kroost veroorloven. Het aantal producenten steeg en ook een aantal exemplaren nam fors toe. Zo werden van de Austin J40 tussen 1948 en 1971 liefst 32.000 exemplaren gebouwd

Steeds meer bestaande autotypen werden ook als trapauto gefabriceerd. Bijna alle automerken waren een bron van inspiratie voor producenten van trapauto’s. In de jaren zestig was er dan ook letterlijk een overvloed aan trapauto-modellen, tot dan toe nog steeds van staal gemaakt. Dat laatste veranderde in de jaren zeventig, toen kunststof de rol van staal overnam. Trapauto’s werden er alleen maar populairder door, aangezien de prijzen door dit nieuwe materiaalgebruik konden zakken. Tegelijkertijd werden de stalen trapauto’s gezochte items voor verzamelaars.


Trapauto’s als verzamelobject

Eén zo’n verzamelaar is de Nederlandse kunstenaar Rop Ranzijn. Ranzijn begon zijn verzameling in 2009, toen hij onder meer de trapauto-collectie van oud-voetballer Marc Overmars kocht. Overmars had de karretjes tijdens zijn voetbalcarrière letterlijk over de hele wereld gevonden en mee naar huis genomen. Daaruit bleek wel dat de trapauto een wereldwijd fenomeen was geworden. Ranzijn had al sinds zijn eigen jeugd een passie voor de trapauto en knapte de collectie trapauto’s binnen enkele maanden op. In 2010 wijdde de Kunsthal in Rotterdam een expositie aan de collectie.

Deze Moskvitch is een van de vijftig trapauto’s uit de expositie bij de Kunsthal (2010).

Vijftig originele trapauto’s uit de jaren dertig tot en met vijftig waren er maandenlang te zien, waaronder een Citroën DS, een Jaguar E-type, een Rolls Royce en een Russische Moskvitch. De Kunsthal is niet het enige museum dat aandacht besteedt aan trapauto’s. In meerdere landen hebben musea exemplaren in hun collectie opgenomen en sommige musea zijn er zelfs voor een belangrijk deel aan gewijd, zoals het Lakeland Motormuseum in het Verenigd Koninkrijk waar zo’n vijftig trapauto’s in de vaste collectie staan. Verzamelaar Phil Collins (niet de zanger) en spande de kroon met 400 trapauto’s die van 2011 tot 2015 te zien waren in zijn privémuseum The Mill Toy and Pedal Car Museum.

 

Dergelijke collecties tekenen de grote interesse in antieke trapauto’s, wat overigens ook blijkt uit prijzen die er bij veilingen voor worden geboden. De stalen modellen gaan niet zelden voor meer dan tweeduizend euro over de ‘toonbank’ en zeldzame exemplaren zijn soms nog aanzienlijk duurder.

De trapauto in de 21ste eeuw

En zo heeft de trapauto inmiddels een geschiedenis van meer dan een eeuw achter de rug. De productie houdt onverminderd aan. Er zijn zowel stalen als kunststof modellen te koop, waarbij de prijzen variëren van minder dan honderd euro tot hogere bedragen voor de meer exclusieve modellen. Het aanbod varieert van klassieke automodellen als de Citroën 2CV en de Mercedes 300 SL tot hedendaagse auto’s.

Zelfs een brandweerauto model 1938 is tegenwoordig leverbaar als trapauto.

De belangstelling voor trapauto’s bleek vanaf juni 2018 ook bij de expositie over de Austin J40 en straatfotografen Humberto Randolfi en zijn Vlaardingse vakgenoot Piet ‘Kodak’ van den Berg. De trapauto blijkt iedere keer weer dierbare herinneringen los te maken bij bezoekers van DIG IT UP galerie & erfgoedlab. Het bijzondere speeltje is erfgoed geworden, erfgoed met een toekomst.

De expositie TRAPAUTO is te bezoeken tot en met zondag 20 januari 2019, op woensdag tot en met zondag van 13.00 tot 17.00 uur.

Door |2019-01-14T14:23:44+00:0014-01-2019|Geen reacties

Laat een reactie achter